Blog

Met de ratten op stap

In het park zitten ze rond een vuurkorfje. Neo-hippies ineengedoken tegen de kou van een te frisse zomernacht. De nieuwe punkers. Ze staan overal buiten. Hebben het randje van de maatschappij opgezocht en zich gestort op de bevrijding van de overkant maar houden zich nog steeds op in grote steden. Fuck mensen. Fuck meningen. Fuck sociale normen. Terug naar de natuur enzo. De grond om hen heen is bezaaid met meer plastic tasjes en six-pack verpakkingen dan het gras in een eeuw aankan.

Een vleermuis vliegt laag over, door een straal gelig straatlicht.

Zij zitten samen op het koude asfalt van een leeg parkeerterrein. Zij veegt constant haar bos zwarte krullen uit haar vermoeide ogen. Hij fouilleert zichzelf voor een sigarettenpakje. Ze steken er eentje op en roken hem samen weg. Zij streelt hem op zijn arm. Hij haalt zijn vingers langs haar wang. Een grijze rookpluim dwarrelt lui weg boven hun hoofden.

Aan een gracht houdt zij een spierwitte ballon vast en klets onophoudelijk. Haar benen wiegen over de rand maar hoog genoeg boven het water. Hij graait in een plastic tasje waaruit het gerinkel klinkt van slagroompatronen, haalt een blikje bier uit het tasje en met een klik die tussen de gevels echoot pop hij het blikje open. Laten ligt zij in bed en wenst ze dat dit ogenblik jaren duren kon.

Achter me hoor ik het geluid van een openklappend zakmes. “Geef op,” hoor ik een donkere stem mompelen.

Ik draai me om. Deze jongen is niet ouder dan zeventien. Maar mijn inschattingsvermogen is sterk verminderd sinds ik de vijfentwintig gepasseerd ben. “Ik heb het allang opgegeven,” zeg ik.

“Wat heb je bij je? Geef alles maar.”

Ik zoek in mijn jaszak en geef hem alles dat ik heb. Beteuterd kijkt hij naar de buit. Twee euro vijfendertig, een aansteker en een pakje met drie sigaretten. “Is dit alles, man?”

“Sorry. Wacht, ik weet wel iets. Hier heb je mijn pinpas.”

“Meekomen naar de automaat. Je gaat alles opnemen.”

We lopen een paar meter voor ik me verontschuldigend omdraai. “Sorry man, helemaal vergeten. Ik ben platzak. Mijn loon komt overmorgen pas. Nu staat er maar een tientje op. Hooguit.”

Zijn ogen draaien in zijn kassen.

“Wacht,” begin ik. “Ik kan je mijn creditcard geven.” Ik pak mijn portemonneetje en vis de zwarte kaart uit een gleuf. “Oh fuck. Sorry, hier heb je ook niks aan. Ik weet de pincode van deze kaart niet dus je kunt er nergens geld mee opnemen.”

Hij begint te zuchten.

“Oke, ik heb wat voor je.” Uit mijn borstzakje haal ik een klein bosje sleutels en druk hem die in de hand. “Dit zijn de huissleutels van mijn moeder. Ze woont in Zeeland dus als je morgen een trein pakt, kun je zo het huis in. In een slaapkamer staat een hele zooi dozen en in één van die dozen vind je twee of drie grote zwarte mappen. Daar doe ik mijn administratie in. Je moet even zoeken maar volgens mij heb ik daar nog de brief van de bank in zitten. Daar staat de pincode van mijn creditcard.”

“Wat de fuck gast? Is dit een fucking grap?”

“Sorry, je hebt gelijk. Ik heb nog wel iets anders.” Uit een ander gleufje in mijn portemonnee haal ik een oude zwartwit pasfoto. “Dit is mijn oma. Je kunt er niet veel mee maar het is van grote emotionele waarde. Ik zou er kapot van zijn als je dit van me steelt.”

“Je maakt me hoofd moe, vriend.” Hij klapt zijn zakmes dicht. “Fuck jou, man. Ik heb niets aan een sukkel als jou.”

“Als jij.”

“Serieus man!” Hij gooit zijn armen in de lucht en loopt weg. Ik vermoed vermoeid.

“Sorry dat ik niet kon helpen gozer!” Ik zie hem nog net een middelvinger opsteken voor hij de hoek om gaat.

De ratten springen tussen zwarte afvalzakken heen en weer. Ze blijven even stilstaan bij het geluid van mijn voetstappen en zodra ze merken dat ik hun kant op kom, schuifelen ze pijlsnel weg. Een gracht in. Een riool in. Een boom in. Op nachten als deze zijn we allemaal op zoek. Misschien dat de ratten wel vinden wat ze zoeken.

Advertisements

Wat deden we gisteren ook alweer?

“Een acht.”

Een stilte van een paar seconden. “Nee, man. Een zes. En dan ben ik vrijgevig.”

“Een zes?” Hij kijkt nog eens goed. “Ja, het steekt toch een beetje uit hè?”

“Niet helemaal mijn ding.”

“Je hebt gelijk.” Psshht. Schuim springt uit het blikje bier en hij zet zijn lippen snel aan de koude aluminium rand om geen slok te verliezen. “Het is sowieso niet veel soeps vandaag.”

“Nee, het zet echt geen zoden aan de dijk.”

“Meer mannen op straat ook.”

“Een waar piemelfestijn.”

Aan de gracht, een paar meter verderop, hijst een voluptueus Indiaas wijf zich op een fiets die op slot staat aan de railing. Het is niet haar fiets. Ze legt een mollige arm met wapperende triceps achter haar dikke bruine haar, tilt één van haar benen die uitsteken onder een felrode rok en beetje op en rust haar voet op de trapper. Haar man, gestreepte polo en khaki broek, maakt in alle rust een foto.

Misschien verteld ze thuis wel dat het roestige, bruine barrel met versleten fietstassen van haar was. Dat ze het mocht lenen van een aardige Amsterdammer. Omdat hij haar zo mooi vond. En zodat ze mooie foto’s van zichzelf kon laten maken leunend over het stuur, turend over de grachten.

“Even kijken hoor.” Weer een paar seconden stilte. “Nee, deze vind ik toch te mager.”

“Inderdaad. Veel te plat.”

“Vandaag heb ik nog steeds niet de perfecte bil gezien.”

“Het is om te janken.” Hij steekt een sigaret op. De zoveelste van vandaag. Zijn keel doet pijn en hij hoest ballen fluim op maar het deert hem weinig. Sommige dingen doen je nu eenmaal pijn maar je zult ze volhouden tot de dood.

“Toch even omkijken, hè?” Vanaf de overkant van de straat klinkt een stem die lichter is dan het lijf dat hem draagt.

“We zijn cijfers aan het geven.”

“Over het algemeen luidt het rapportcijfer: ‘laat te wensen over.'”

“Ik houd toch meer van substantie.” Klinkt het van de overkant.

“Breed of rond?”

“Of maak je niet veel onderscheid?”

De overkant neemt een laatste hap en gooit het restje weg in een prullenbak buiten het zicht. “Nee, man. Als het maar veel is.”

“Dat zijn nou niet bepaald fatsoenlijke criteria.”

De overkant lacht. “Ik heb ook wel eens iets mee naar huis genomen waar ik later spijt van had.”

“Oh ja?”

“Een Belgse.” De overkant lacht licht onschuldig. “Maar het leuke was dat we allemaal even konden, snap je?”

Er valt een stilte.

“En dat daar?” Vraagt de overkant.

“Oh, shit.” Het bier is hij vergeten.

“Ja, dat is toch wel een negen.” Hij neemt een trek van zijn sigaret en hoest een fluimbal op. “Dat maakt de dag wel goed.”

“Niet helemaal mijn ding, maar dat laat ik jullie over.” De overkant steekt een duim in de lucht.

“Thanks, man.” Zijn sigaret is bijna opgebrand. “Toch een goed einde aan de dag.”

“Op het moment zelf durf je het niet aan te kijken.” De overkant lacht weer zijn tanden bloot. Een glimlach die je makkelijk vergeeft. “Maar later denk je toch van; jaaaa.”

“Ik zou er toch geen kunstje op kunnen, denk ik.” Hij neemt een laatste slok van zijn bier.

“Zullen we maar gaan dan?” De gloeikop van zijn sigaret komt tot aan de filter. Dan schiet hij het gloeiende peukje tussen zijn vingers weg. Het stuitert van een straattegel en landt in het gootje midden in de straat.”

“Fijne avond, jongens!” Roept de overkant.

Ze zetten de krukken binnen en sleuren de bijna dode plant in zijn stenen plantenbak moeizaam naar binnen. Alle lichten uit. Alarm erop. Deuren op slot. Toch een goed einde aan de dag.

Hot town

Wat is er mooier dan Amsterdam in de zomer? Tussen de hoge gebouwen is het benauwder dan tussen de oksels van je obese schoonmoeder. De grachten ruiken verbazingwekkend fris. Een infusie van Hongaars badhuis en Roquefort. Dat stilstaande water helpt niet veel maar je kunt er gemakkelijk een duik nemen. Cholera is makkelijk te genezen tegenwoordig.

Over de zomer fashion in de grote stad niets dan goeds. Elke man heeft een frisse polo of en t-shirt met minstens drie vaal gekleurde banden horizontaal over de borst of de bierbuik en het is al jaren niet meer raar om gewoon in je zwembroek en Havaianas op kantoor te zitten.

Dames…trek iets aan. Alsjeblieft. Er lopen kinderen naast.

Na zonneschijn komt regen en achter de zon hangt altijd wel een storm.Dus zullen we het nu hebben over Turkije?

Terwijl president Erdogan aan het voetenbaden was in Bodrum, besloot een heel klein groepje binnen het Turkse leger dat het tijd was voor verandering. Om ‘constitutionele orde, mensenrechten en vrijheid’ in het land te herstellen, reden deze jongens met tanks door de straten van Ankara en blokkeerden ze de brug over de Bosporus.

Het Turkse leger kreeg van de oprichter van de hedendaagse seculiere Turkse staat (Mustafa Kemal Atatürk) de opdracht om een oogje te houden op regeringsleiders en om ‘orde te herstellen’ in geval van nood. Militairen hebben vier keer hiervoor met succes kabinetten ontbonden en premiers weggestuurd die in hun ogen een bedreiging vormden voor het Kemalisme, de ideologie van Kemal die onder andere democratie en een scheiding van religie en staat inhoudt.

Ondanks de wellicht goede bedoelingen van het selecte groepje coup-plegers geniet Erdogan genoeg aanzien om een volledig land via FaceTime te mobiliseren. Binnen een paar uur werden de opstandige militairen opgerold, publiekelijk vernederd en geslagen door een boze meute. Soms is het moeilijk te beseffen dat we toch echt in de 21e eeuw leven.

Ondertussen zijn er ongeveer zesduizend mensen gearresteerd die volgens Erdogan met de coup te maken hebben. De helft zijn militairen. De andere helft zijn rechters. Nog een keertje goed lezen: rechters. De Turkse president roept nu oppositiepartijen om tafel om de herinvoering van de doodstraf te bespreken omdat het volk dit zouden eisen. Begint het plaatje een beetje compleet te worden?

Dit alles zou een probleem van Turkije alleen kunnen (en moeten) zijn ware het niet dat de EU in maart van dit jaar een verdrag heeft gesloten met Turkije om de ‘migrantencrisis’ het hoofd te bieden.

Turkije neemt ‘illegale’ migranten terug van de EU en dropt ze vaak net over de grens met Syrië, niet eens een vlucht terug naar land van herkomst. In ruil daarvoor neemt de EU ‘legale’ migranten (dus Syrische vluchtelingen) uit handen van Turkije. Het land krijgt geld van de EU om de grensovergang met Syrië efficiënter te maken maar in feite wordt het geld gebruikt om de grens af te sluiten. Mensen die hun eigen door oorlog verwoest land ontvluchten worden door Turkse militairen niet de grens over geholpen maar aan hun lot overgelaten in de verzengende hitte en erbarmelijke omstandigheden van geïmproviseerde kampen.

In ruil daarvoor wil Erdogan dat voor Turkse burgers (Arameeërs en Koerden worden nog steeds niet beschouwt als burgers) geen visumplicht meer geldt om naar Europese landen te reizen en dat onderhandeling over toetreding tot de EU worden versneld. De doodstraf die hij zo graag wil herinvoeren werd overigens in 2004 afgeschaft juist omdat de EU dat als een harde eis zag tot toetreding.

Hoeveel kwartjes moeten er vallen? Media hitsen de vluchtelingenkwestie op en Turkije ziet zijn kans schoon EU-toetreding door te duwen door de EU een ‘helpende hand’ te bieden. Zodra die afspraken gemaakt zijn, is een kleine, machteloze en slecht georganiseerde coup de perfecte aanleiding voor Erdogan om zijn politieke tegenstanders in het gevang te gooien en nog meer macht naar zichzelf te trekken.

Het is moeilijk te zeggen wat vooropgezet is en wat niet in zulke situaties. Maar een coup pleeg je niet door met een paar tanks door straten te rijden en een brug af te zetten. Een coup pleeg je door in één klap je tegenstanders uit te schakelen en alle macht te vergaren.

Verdomme wat is het warm in de stad.

Op geleide van pijn

We zitten op het terras van het café bij mij op de hoek. Ik een Tank 7 in mijn glas, hij een Zatte van Brouwerij ‘t IJ. Er staat een lichte wind en ondanks de bewolking is het toch een beetje drukkend buiten. Alsof er elk moment iets uit de lucht kan vallen.

Al een week zit ik thuis met een gekneusde enkel en pols. Van de typisch Amsterdamse trap gevallen, ongeveer een meter voor ik de grond raakte. Röntgenfoto’s wijzen geen breuk aan en de verplegers van het OLVG in west sturen me naar huis met twee lappen drukverband en de boodschap dat ik op ‘geleide van pijn’ verder moet gaan.

Verplicht en betaald thuis zitten. De Nederlandse droombaan en een geweldig effect van de verzorgingsstaat en de jarenlange gevechten van vakbonden om werknemers de rechten te geven die ze verdienen. Ik verveel me kapot.

In de loop van de week heb ik een grappig loopje ontwikkeld en ik strompel op pure wilskracht heen en weer naar de Turkse supermarkt op nog geen dertig van mijn deur. Het duurt me meer dan vijf minuten om er te komen. De langzaam stervende peterselie en tijm heb ik thuis met zorg en aandacht weer tot leven weten te wekken. Op de vensterbank vangen ze meer zon dan in de keuken en ik geef ze twee keer per dag water.

Door mijn loopje en mijn plantenliefde noemt mijn Duitse huisgenootje mij liefkozend Quasimodo. Inderdaad. Ik kan slechts bijna lopen. Slechts bijna de deur uit. Slechts bijna ben ik volwaardig homo sapiens sapiens. Voor mijn eigen oordeel ben ik homo sapiens vitium.

Nooit gedacht dat ik een biertje op een bewolkt zondagavond terras zo zou waarderen. Hele dagen zittend voor mijn raam heb ik de dagelijkse bewegingen in de Tweede Nassaustraat bijna uit mijn hoofd geleerd. Yuppen fietsen heen en weer tussen Westerpark en de Jordaan. Ik verbaas me over de Surinamer naast mijn huis die al twee dagen dicht is. Gebeurt normaal gesproken nooit. De twee stratenmakers met licht-Twentse tongval die het werk stilleggen en rubbernekken om naar langsfietsende schoolmeisjes te loeren zijn bijna familie geworden. De vieze ooms van de familie dan.

Terwijl wij slap ouwehoeren zoals mannen dat kunnen (afgewisseld serieus maar voornamelijk grote verhalen genomen met een flinke korrel zout gevolgd door aanstekelijk schaterlachen) komt er van de andere kant van het terras een meisje op ons af. Gestreept zomerjurkje dat mij doet denken aan zomeravonden in Marseille en een felgroene fleece deken om zich heen geslagen tegen een onwaarneembare kou.

Vlak voor de ingang van het café houdt ze halt bij het zicht van andersgekleurde dekens.

“Ik neem toch deze hoor.” Ze zegt het tegen ons alsof ze net het mooiste besluit van haar leven genomen heeft. “Want dat groen vind ik maar niks.”

Mijn vriend draait zich in zijn stoel en kijkt om zich heen. “Ik heb ook deze voor je”, zegt hij. “Paars.”

Haar ogen worden groot. “Paars! Jaaaaaa!”

Ze lult nog wat slap over welke kleur fleece deken zij het beste bij haar zuid-Franse jurkje vindt passen en loopt uiteindelijk het café weer in en uit. Terug naar haar groep vrienden die gezellig kletsen en peukjes roken. Nog net in het zicht van een paar doorbrekende zonnestralen.

Ze was me al opgevallen. Hoe ze aandacht zoekt bij haar vrienden. Ze gaat niet mee met het gesprek en voelt zich buitengesloten. Probeert betrokken te worden door haar armen om haar vriend heen te slaan. Wanneer ze een kwartier later haar armen om een andere jongen in de groep slaat, heb ik geen idee meer wie haar vriend moet zijn. Zo af en toe gaat ze aan de gracht staan, een metertje of wat van hun tafel vandaan en kijkt (zij denkt bedenkelijk) over het zacht golvende water in de hoop dat het iemand opvalt.

Wij rekenen af. Mijn vriend haast zich naar de bushalte. Zijn trein heeft hij al gemist maar het boeit hem weinig. Op geleide van pijn hops ik de tien meter naar mijn voordeur en op geleide van pijn zoekt zij verder naar erkenning.

Uit je luie gamerstoel

De deurbel ging. Het was toen nog een triller. Een bel die beter bij een wekker paste dan boven de deurpos en het geluid vloog door het huis als een wilde Pidgey (al waren die beesten toen nog lang niet bekend in Europa).

Twee jongens van een jaar of acht, Zeeuwse klei aangekoekt op de donkergroene regenlaarzen en de felgekleurde nylon jaren ’90 jasjes, keken bijna verschrikt op naar de vrouw van middelbare leeftijd die de deur open deed. Eén van hen wist het brokje schrik in zijn keel weg te slikken en vroeg: “Mag Nikos buiten komen spelen?”

Of het een simpeler tijd was, is niet te zeggen. Vechtpartijtjes waren dagelijks aan de orde en respect werd vaak afgedwongen door de perfect gefreesde (van ‘frezen’, niet ‘vrezen’) AK’s die we met ons meedroegen het bos in. Had je enkel een stok die leek op een geweertje, dan was je een sukkel.

Het is een overstatement om te zeggen dat de Super Nintendo alles veranderde. Het bos werd niet gelijk verruild voor de huis- of slaapkamer en we werden niet opeens eenzame nerds die blikken energiedrank achterover sloegen als mana potions. Maar de aantrekkingskracht van het apparaat was wel meteen duidelijk.

Er kunnen volledige kalenders worden afgestreept met de dagen dat we probeerden door de eerste wereld van Super Mario Bros. te komen (overdrijven is een vak en toevallig een ambacht waar ik talentvol in ben). Toch bleef het gamen in die vroege jaren een gezelschapsding. Controllers werden doorgegeven als je ‘dood’ ging en met de Nintendo 64 en het James Bond spel Goldeneye zaten we soms in groepen van zes te schreeuwen naar het scherm en elkaar.

De revolutie kwam voor mij bij de aanschaf van onze echt eigen PlayStation en de ontdekking van Final Fantasy VIII zorgde bij mij wel voor een ommezwaai. Ik was niet meer afhankelijk van anderen om te gamen en nooit meer kreeg ik het naar mijn kop dat ik er niets van bakte, maar ergens ging de lol er ook af. Langer dan een uurtje kon ik niet meer op de bank blijven zitten. In tegenstelling tot mijn jongere broertje.

Online games als Counterstrike en World of Warcraft beloofden verandering. Samen gamen op afstand werd de nieuwe trend maar de scheldkanonnades in de chats waren niet aan mij besteed. Noobs werden genadeloos hard afgemaakt. De anonimiteit van het internet maakte het gemakkelijk voor iedereen om te roepen wat hij wilde zonder acht te slaan op de gevoelens van de ander en het gebeurde meermaals dat een digitale scheldpartij zich in de echte wereld materialiseerde op LAN-party’s.

Bovendien veranderden we langzaamaan wel in die opgesloten gamers. Iedereen heeft een moeilijke huid in zijn pubertijd maar er waren gevallen die zich duidelijk onderscheidden van de rest. Dagenlang achter een flikkerend beeldscherm in een verduisterde kamer (anders zijn de graphics echt niks), de inname van allerlei smerige voedingsstoffen van de Aldi en het gebrek aan beweging, buitenlucht en slaap zorgden bij sommige leeftijdgenootjes voor een uitspatting aan acne en een grove motoriek die precies dat was: grof.

Gamers zullen gamers blijven en ik beschuldig niemand ervan dat hij contactgestoord is of wordt van gamen. Er zijn talrijke studies die de positieve effecten van gamen uitwijzen (want die zijn er wel degelijk) maar het binnen zitten achter een scherm is wat mij altijd een beetje tegenstond.

Tot mijn huisgenoot gisteren thuiskwam met het verhaal dat hij de hele avond Pokémon GO aan het spelen was. Buiten in het park. Met mensen die hij heeft ontmoet omdat zij ook Pokémon GO spelen. Mijn iPhone is te oud om de app te ondersteunen (ik heb inderdaad nog een iPhone 4). Daar gaat mijn kans een sociale gamer te worden.

Ach voorlopig zit ik toch nog wel even op de bank.

Ik droom van Liefde

schoten gelost in de 
straten van Dallas, niet
ver van de plek waar
Kennedy’s hersenen vlogen
over de kofferbak van
zijn Lincoln, en Jackie
die in shock graait naar
de resten van zijn geest.

Het heette een misdaad en
ze zochten een zondebok en
deze keer was het een zwarte,
bewapend tot de tanden, met
trefzekere kalmte, doel-
treffende kogels en een Bijbelse
boodschap: oog om oog
broeder om broeder
bruine om blanke

en het scorebord staat nog
lang niet op gelijkstand,
dus mijn pen raasde over papieren
tegen het te nuchtere gedachtengoed
dat dit hier niet nooit kan gebeuren
en mijn geheugen haalde 
herinneringen op en keurde
dat ook ik op stiekeme wijze
gediscrimineerd was

Ik wilde hier voorbeelden geven
van voorvallen in het verleden
en voelde een woede door
mijn aderen razen en bleef
me verbazen dat ik jaren
zo stil ben gebleven,
maar wacht!


Als we woede met woede
bestrijden, bevrijden we dan
alle broeders uit onrecht?
verdwijnen de lijnen waarmee
we onszelf van elkaar
onderscheiden? Of…


blijft het dezelfde strijd van
jij tegen mij
wij tegen hen
hij tegen zij
naakt zijn we allen gelijk
dit hemd van mijn lijf
dit label dat niets anders
aanduidt dan waar ik gemaakt ben

bekijk het goed

want 
wij verschillen niet
in materialen, zorgen,
dromen of angsten, wij
willen hetzelfde, jij en ik
en zij hebben in feiten
dezelfde verhalen


dus negeer de wasvoorschriften
en strijk de verschillen opzij
deze labels zijn niet wij

want
Ik droom van vrede

Ik droom van gelijke kansen
     en gelijke behandelingen

Van een wereld waarin huidskleur
niets anders is dan de hoeveelheid
melanine die een lijf aanmaakt

Een wereld waarin we ons niet 
laten ophitsen door hitsige media

Waarin we niet worden gedwongen
elkaar te haten in spellen
gespeeld door mannen in 
lichtgrijze pakken
netjes gekamde haren en
gerepeteerde glimlachen

Een wereld waarin geen kind
aanspoelt op Griekse stranden
en wij het de ouders verwijten
terwijl onze bommen hun
huizen doen verdwijnen


Nee!
doe niet mee aan de labels

en de haat
en de ons scheidende verhalen

want ik droom
van liefde

Ready, set, go!

Maandag! We moeten weer. De wekker gaat, opstaan, tanden poetsen, ontbijt naar binnen gooien, haasten naar de bus of tram of op de fiets, geen minuut te laat inklokken en hup, weer aan de slag.

Er zijn goede redenen dat Garfield een hekel heeft aan maandagen en de race die eruit voortkomt. De week staat in de wieg. De dagen zijn lang. Het werk put je uit, ‘s avonds ben je lusteloos en het weekend laat nog langer op zich wachten dan het vertrek van Geert Wilders uit de politiek.

De naoorlogse generatie is gevoed met het idee van ‘nu hard werken voor later’ als ganzen voor de foie gras. Het resultaat is vaak hetzelfde als bij genoemde ganzen: dat ‘later’ komt nooit en zodra de Hallmark-kaarten in de bus vallen die je feliciteren met het behalen van de pensioengerechtigde leeftijd voel jij je bedrogen. En dat ben je. Je hebt alles al gegeven en nu je de vitaliteit mist mag je lekker genieten van je oude dag. Via een spionnetje het leven op straat bespieden en wensen dat je het vroeger anders had aangepakt.

Alle Happinez-achtige tijdschriften ten spijt ontkomen we niet aan het feit dat we leven in de dictatuur van de 40-urige werkweek. Onze tijd is netjes ingedeeld om ons net tevreden te houden. Altijd op jacht naar rust maar zodra we die hebben zijn we te moe om er werkelijk van te genieten en minder werken zit er niet in. Mensen die net boven modaal verdienen zijn bang hun comfort te verliezen en met een minimumloon is het de eindjes aan elkaar knopen en alles bij elkaar schrapen alleen al om onderdak en eten te kunnen betalen. Vooral in de grote steden.

Dan mogen we in Nederland nog van geluk spreken. Werknemers hier zijn mondiger en komen makkelijk op voor zichzelf en we hebben wetten die ons gedeeltelijk beschermen. Vergelijk het met een land als Japan waar de sociale druk zo hoog ligt dat de angst om te falen mensen drijft tot het uiterste. Japan (En Zuid-Korea helaas ook) kent een term voor ‘dood door overwerking’: karōshi.

Dat deze economie (en de staat daarvan) ons dwingt om kalm te blijven en hierover niets te zeggen frustreert nog het meest. Hoe vaak heb jij in de afgelopen jaren te horen gekregen dat je blij moet zijn dat je nog een baantje hebt? Hoeveel sollicitaties hebben de werklozen onder ons achter de rug voordat ze, op hun knieën smekend, op een plek werden aangenomen waar ze nog niet dood gevonden wilden worden (verdomde McDonalds)? Hoe vaak heb je op je tong gebeten bij je baas uit angst om dit kutbaantje te verliezen. Of erger nog: uit angst om weer op zoek te moeten naar het volgende kutbaantje.

Misschien dat ik het volgende meer zeg tegen mijzelf dan tegen wie dan ook maar: bijt nog iets langer. Verwacht niet geluk te vinden in een baantje. Baantjes zijn klusjes waar je voor betaald krijgt omdat niemand ze anders wil doen. Zie waar de ketenen hangen en maak jezelf vrij. Het is niet makkelijk en een ommezwaai maak je niet in een dag maar als we allemaal onszelf stap voor stap bevrijden van deze moderne slavernij dan weet ik één ding zeker: wij kunnen een wereld scheppen waarin het geluk van elk mens voorop staat.

En in de tussentijd is er maar één manier om de absurde realiteit onder ogen te komen. Met onvoorwaardelijke humor.

Het menselijke quid pro quo

Maandag werd hij 100 jaar. De enige nog levende Nederlandse deelnemer aan de Olympische Zomerspelen van 1936 (die van Hitler). Een kleine week geleden werd Hans Maier niet om dit feit geïnterviewd in De Volkskrant, maar om zijn site humandutiesnetwork.com en het lijstje van menselijke plichten dat hij als compagnon geeft voor de universele rechten van de mens.

Kalm maar. Deze 100-jarige is niet vernuftiger met html dan jij. Op een gegeven moment ken je genoeg mensen die vaardigheden bezitten waar jij je voordeel uit kunt halen. De ontbrekende vaardigheden zijn helaas zinsbouw, spelling en een meeslepende schrijfstijl maar dat terzijde.

De lijst die Maier geeft is incompleet en staat gelukkig nog open voor discussie want ondanks een paar vanzelfsprekendheden (“ieder mens moet bereid zijn verantwoording af te leggen voor zijn daden” en “een mens moet andere mensen behandelen zoals hij zelf behandeld wil worden”) bevat het ‘boekje van Maier’ een paar opdrachten aan de mensheid die wat makkelijker gezegd zijn dan gedaan. Voorbeeldje? Jazeker.

“Ieder mens is uniek in zijn vermogen om na te denken en keuzes te maken. Het is zijn plicht om de talenten waarmee hij is geboren tot ontwikkeling te brengen om daarmee respect bij zijn medemens te verwerven.”

Het is al idioot genoeg dat helaas niet elk mens de mogelijkheden krijgt zijn talenten tot ontwikkeling te brengen maar onder geen enkel beding zou een mens zijn leven moeten lijden met het oog op een beloning van anderen in welke vorm dan ook. Respect of niet. Sommige mensen respecteren het één en niet het ander en er zijn diepgaande maatschappelijke veranderingen nodig voor de jurist en de putjesschepper elkaar ‘s ochtends een welgemeende handdruk geven.

Oké, deze was een inkomer. Maar de volgende…

“De mens heeft de plicht zijn rede en geweten niet door inname van alcohol of drugs te vertroebelen.”

Hoezo moet iemand zichzelf de pleziertjes van het leven ontnemen onder de paraplu van geestvertroebeling? Is het bovendien überhaupt wel bewezen dat drugs de geest vertroebelen? Toegegeven: van alle vrijelijk beschikbare drugs is alcohol toch wel de meest saaie en marihuana en hasj zijn vaak ook niet bevorderlijk voor een fatsoenlijke filosofische dialoog. Maar wie heeft ooit gezegd dat alle drugs het redenerend vermogen van de geest verminderen of schaden?

In onderstaande TED-talk legt journalist Graham Hancock even fijntjes uit waarom hij vindt dat geestverruimende middelen zoals paddo’s, LSD en Ayahuasca niet per definitie op de lijst van verboden middelen moeten staan.

TED zelf heeft deze presentatie van zijn site gehaald en op een blog gepost. Hancock geeft daar ook commentaar op de verbanning van zijn presentatie en de redenen die TED daartoe gaf.

In zijn boek The Doors of Perception geeft Aldous Huxley een krachtige en vernuftige inkijk op de effecten van mescaline, een stof die natuurlijk voorkomt in de Peyote cactus en die eeuwenlang door sjamanen van Noord-Amerikaanse Indianenstammen gebruikt wordt om contact te maken met wat zij de geestenwereld noemen. Niet voor niets dat Jim Morrison zijn band vernoemde naar dit schrijfsel.

Heeft de war on drugs nog niet genoeg schade aangericht? Cijfergooien heeft hier geen zin maar er zijn meerdere redenen om onze kijk op drugs en de gebruikers daarvan radicaal om te gooien. Geloof niet alles dat je wordt verteld. Kijk verder dan je neus lang is. En aanvaard dat je soms een sprookje is aangepraat dat geen enkele basis heeft. Of in ieder geval een basis die gevormd is door dwarskijkers en meeschreeuwers.

Verder niets dan lof voor de heer Maier en zijn pogingen ons een morele leidraad aan te reiken die nog zeker uitgebreid en wereldwijd aanvaard mag worden. Maar er heerst een groot stigma op geestverruimende middelen en de gebruikers daarvan en dat stigma is schadelijk voor de manier waarop wij aankijken tegen de mogelijkheden die deze stoffen onze geest bieden.

mieren hebben ook gevoel

Wel eens zo graag jezelf willen pijpen dat je een hele maand in het jaar schuift en die naar jezelf vernoemd? *kuch* Julius Caesar *kuch*

Wel eens een gigantische fascinatie gehad met een vooralsnog onontdekt scheepswrak? Een fascinatie zo groot dat je een heel team wetenschappers op de been brengt, op zoek gaat naar genoemd gezonken schip, het roestige kreng verdomme nog vindt op de bodem van de Atlantische Oceaan en vervolgens een Hollywood blockbuster maakt over het zinken van dat schip? *kuch* James friggin’ Cameron *kuch*

Wel eens zo’n controlfreak geweest dat je vond dat de enige acteur die jouw levensverhaal kan verbeenlden, over hoe je als arbeidersjongen uit de arme buitenwijken van Detroit opklom tot één van de beste rappers aller tijden (yeah, right), jij zelf bent? En natuurlijk kan dan ook niemand anders de soundtrack leveren dan de beste rapper aller tijden (yeah, right): jij. *kuch* looking at you Marshall Mathers *kuch*

Anale seks is nu eenmaal pijnlijk. Al helemaal zonder glijmiddel. Al helemaal als mieren de ontvangende partij zijn. Je hebt in deze wereld een hele schare aan pijpzeikerds en betweters maar er is een groep mensen die de kroon spant. Wetenschappers van het Amerikaanse National Institute of Standards and Technology hebben ergens in hun stoffige kelder vol antieke grootvaderklokken en vergane zonnemeters een atoomklok die zo nauwkeurig is dat hij maar vier seconden zou afwijken van de echte tijd als hij vanaf de oerknal zou zijn gestart.

Dit doet natuurlijk de vraag opdoemen: wat is echte tijd? Volgens de algemene relativiteitstheorie is tijd (komtie hè!) relatief. Tijd en ruimte zijn een geheel en beiden vervormen door de enorme krachten die aan ze trekken en zwaartekracht heeft er een handje van nogal trekgevoelig te zijn. Nee, niet zoals je eerste vriendje. Meer als zijn moeder die je bij de kraag vat en op straat gooit.

De film Interstellar was als sci-fi spektakel redelijk wetenschappelijk accuraat maar helaas kan hetzelfde niet gezegd worden van onze kalenders. En daarom krijgen we er dit jaar (en toevallig kregen we dit vorig jaar ook) een seconde extra om ons leven te overdenken. Je hoort het goed. Dit jaar heb jij een seconde langer om je existentiële vraagstukken op te lossen.

Sommigen zullen dit zien als anale seks met mieren. Maar bedenk je goed dat wij mensen graag de controle houden over bepaalde zaken. En als wij nu eenmaal de controle willen houden over de tijd moeten we hier en daar een dag of een seconde ergens tussen zien te proppen. Dus als je wilt proosten op een gelukkig 2017…even wachten nog.

Zie die extra seconde trouwens ook als een cadeau voor al die eurocenten die je ter bevestiging van je bankrekening hebt gedoneerd aan allerlei shady interwebsites. Centje hier, centje daar en nooit zag je ze terug. Nou, alsjeblieft. En voor de echte nieuwsgierige aagjes onder ons: hieronder een ietwat langig maar uiterst informatief filmpje van VSauce over hoe onze aarde zich een weg baant door het universum. Dat zou dingen wel even in perspectief moeten zetten.

what I really, really want

NRC Handelsblad, donderdag 7 juli 2016, pagina 10 van het Cultuur supplement: “Zijn vrouwen wel veilig op festivals?”

Als jij op dit moment een heel groot what-the-actual-fuck-momentje hebt is dat niet vreemd maar wacht even. Er is meer. Veel en veel meer.

Het is bijna een jaar geleden dat YouTube ‘ster’ Sam Pepper werd aangeklaagd wegens seksuele intimidatie en de eerste veroordeling in de Keulse aanrandingszaak is sinds afgelopen donderdag een feit, maar het lijkt erop dat we na drie feministische golven en bijna een eeuw aan eindeloos theeleuten over vrouwenrechten nog geen stap dichterbij seksegelijkheid zijn gekomen sinds het invoeren van het vrouwenstemrecht.

Volledige gelijkheid zullen we godzijdank nooit bereiken. Het is toch vooral fijner als vrouwen borsten hebben dan hun mannelijke tegenhangers (see what I did there?). En op het gebied van emotionele ontwikkeling kunnen mannen gelukkig nog heel veel leren van de vrouwen in hun omgeving. En ja, ik ben me ervan bewust dat dit hele makkelijke voorbeelden zijn om aan te geven dat we twee verschillende wezens van dezelfde soort zijn.

Helaas is de objectificatie van vrouwen nog steeds een heel groot issue. Een schare aan YouTube videos die het bekende catcalling in de straten van New York vastlegt is het simpele levende bewijs. Wat te zeggen over de how to kiss girls videos van tienersjappies die tijdens een volledig casual lijkend gesprek het meisje waarmee gepraat wordt spontaan op de beugelbek pakken? Links van deze videos vind je hier niet. Nooit niet.

Terug naar het NRC artikel met de shockerende kop. Vorig weekend werden op twee Zweedse festival, Putte i Parken en Bråvalla, respectievelijk 27 en 12 aangiften van aanranding gedaan. Op die laatste zelfs vijf meldingen van verkrachting. En Mumford and Sons boycot Bråvalla tot de organisatie maatregelen neemt om seksuele aanvallen op vrouwen in de toekomst te voorkomen. Verplichte chemische castratie aan de poort? Nu al zin om volgende zomer Zweedse festivals te hoppen.

De dames die aangifte deden zeggen slachtoffer te zijn van een groep mannen die hen omsingelden en betastten. “Diverse media melden dat de daders ‘jonge vluchtelingen’ zijn.” staat in het artikel te lezen. Vervolgens hebben de twee schrijfsters  onderzoek gedaan of zulke gevallen ook in Nederland voorkomen en vroegen ze verschillende festivalorganisatoren wat zij doen om de veiligheid van onze Hollandse meiden te waarborgen.

Hiermee hebben Claudia Kammer en Lisa Vos (ja, dit zijn de schrijfster en nee, ik ben absoluut niet bang voor repercussies) geen reet bijgedragen aan het debat over gelijke rechten en behandeling van vrouwen.

Sterker nog: het gesprek is volledig de verkeerde kant op geduwd. Wat maakt het uit van welke ethnische achtergrond de mogelijke daders zijn? Hoe kun je van festivals verwachten dit soort incidenten te voorkomen wanneer we blijkbaar niet eens het intellect hebben ontwikkeld om iedereen gelijk te behandelen?

De Duitse wetswijziging dan? Zal dat weerloze deernes beschermen tegen hitsig mannengedrag? Natuurlijk is het beter dat een vrouw geen baklading aan bewijs van verkrachting of aanranding moet aanvoeren, maar het strafbaar maken van ‘opmerkingen, betastingen en antänzen‘ (dat is precies waar het naar klinkt) criminaliseert elke flirtpoging die een onhandige gozer uitvoert. Zo probeer je een gesprekje aan te knopen en zo word je verhoord voor vermeende aanranding.

Waar het hier om gaat is een eeuwenlange onderdrukking van vrouwen in patriarchale samenlevingen wereldwijd. Voeg daar een vleugje minderwaardigheidsbeklevenig vanuit religieuze hoek aan toe en het resultaat staat op onze stoep: een algemeen aanvaardde denkwijze waarin mannen alles krijgen dat ze willen en vrouwen moeten vechten voor simpele dingen als gelijke lonen.

Het bezit van een penis is ook niet het grote pretje dat het lijkt te zijn. Al was het maar om het feit dat een meisje ‘wolf’ hoeft te roepen en het hele dorp uitloopt om de aangewezen jongen aan de hoogste boom te hangen. Zolang we op deze manier blijven hameren op het vreselijke onrecht dat vrouwen wordt aangedaan, zullen we nooit groeien als mensen of samenleving.

Wij zijn mensen. Wij allemaal. Werkend vanuit dat principe moet het makkelijk zijn anderen niet verkeerd te behandelen op basis van sekse, economische of ethnische achtergrond. Schreeuwende krantenkoppen en misleidende artikelen helpen niet om vrouwen en meisjes wereldwijd de rechten te doen opeisen die ze als mens verdienen.

Nee. Dan liever deze video van GlobalGoals.